Leonard Bernstein | ouverture Candide

Leonard Bernstein leefde niet, hij explodeerde. In muziek, in woorden, in gebaren, in tempo. In álles. Als Hector Berlioz ooit hallucineerde op opium, dan stuiterde Bernstein door het leven op pure zenuwenergie — met af en toe wat chemische hulp om het vuur nóg hoger op te stoken. Een menselijke kernreactie met charisma als brandstof.

Geboren in 1918 in de VS groeide Bernstein op tot alles tegelijk: dirigent, componist, pianist, docent en televisiepersoonlijkheid. Hij praatte snel, dacht nog sneller en leek structureel te weinig slaap te hebben. Dat laatste was geen toeval. In de kringen waarin Bernstein verkeerde — het hectische New Yorkse muziekleven van de jaren ’40 tot ’70 — waren sigaretten, alcohol en stimulerende middelen eerder brandstof dan uitzondering. Geen verslaving in een achterafkamertje, maar een publiek geheim: Lenny leefde op adrenaline, nicotine, drank en alles wat hielp om nog één nacht door te gaan.

Bernstein was geobsedeerd door communicatie. Muziek moest niet netjes zijn, maar bruisen. Dat hoor je nergens zo duidelijk als in de ouverture van Candide. Dit werk is geen beleefde opening, het is een muzikale espresso met vijf shots cafeïne, geserveerd terwijl de ober tegen je schreeuwt dat het leven absurd is.

De ouverture barst los met razendsnelle loopjes, messcherpe ritmes en melodieën die nauwelijks ademhalen. Dit is geen muziek die wandelt; dit is muziek die rent, struikelt en lachend weer opstaat.

Je voelt Bernstein erin: de haast, de humor, het theatrale ego, het geniale ongeduld. De ouverture klinkt alsof het orkest drie keer “nog één keer van voren af aan!” heeft gehoord en op pure wilskracht speelt. Het is chaos, maar dan strak geregisseerd!

Toch zit er in Candide ook iets ontroerends. Onder de razernij schuilt optimisme — niet het naïeve optimisme van Voltaires personage, maar Bernsteins versie: ja, de wereld is absurd, maar laten we er dan in godsnaam iets moois en opwindends van maken.

Bernsteins levensstijl eiste ook zijn tol. Hij rookte alsof hij hoogstpersoonlijk de tabaksindustrie overeind moest houden, dronk royaal en gebruikte stimulerende middelen om zijn eigen tempo bij te kunnen houden — en dat tempo was moordend. Hij sliep weinig, werkte obsessief en verwachtte van anderen dezelfde intensiteit. Zijn genialiteit was aanstekelijk, maar ook vermoeiend.

Leonard Bernstein werd ouder, langzamer — een beetje — maar nooit echt rustig. Zelfs in zijn latere jaren bleef hij een man die sprak met zijn hele lichaam en dirigeerde alsof elk concert zijn laatste kon zijn.