Hector Berlioz werd niet geboren met een viool onder zijn kin. Hij groeide op als de zoon van een arts in een keurige Franse provinciestad. Daarom leek hij voorbestemd voor een rustig leven te midden van patiënten, poeders en pillen. Maar Berlioz had andere plannen. Met zijn koppige geest en zijn grenzeloze verbeeldingskracht wilde hij geen lichamen genezen, maar zielen laten hallucineren.
Aanvankelijk probeerde hij daadwerkelijk arts te worden. Hij studeerde geneeskunde in Parijs. Dat hield hij precies lang genoeg vol om meteen bij zijn eerste anatomische les in de snijzaal flauw te vallen. Het menselijk lichaam vond hij walgelijk. De menselijke geest daarentegen was voor Berlioz een speeltuin. En het mooiste speeltoestel was zijn apothekerskast, gevuld met opium. Veel opium.
Berlioz was geen dagelijkse gebruiker die zijn thee verving door verdovende middelen, maar hij ontdekte wel dat een goed geplande dosis opium wonderen kon doen voor de verbeelding — en rampen kon veroorzaken in de gemoedsrust. En precies daar — in dat gevaarlijke spanningsveld tussen extase en ondergang — werd zijn beroemdste werk geboren: de Symphonie Fantastique.
Het verhaal is als een droom na drie glazen absint: een jonge kunstenaar — natuurlijk Berlioz zelf — is hopeloos verliefd op een onbereikbare vrouw. Zo hopeloos dat hij besluit een einde aan zijn leven te maken door een overdosis opium te slikken. Maar dat mislukt: hij gaat er niet aan dood. In plaats daarvan bezorgt de grote dosis opium hem een reeks wilde visioenen. Die visioenen vormen de vijf delen van de symfonie.
En hier begint de muzikale trip.
In het eerste deel horen we de verliefdheid: hartstochtelijk, obsessief en instabiel. Berlioz introduceert zijn beroemde idée fixe, een melodie die de geliefde verbeeldt en die steeds terugkomt. Net als een oorwurm, maar dan eentje die je leven ruïneert. Het is muzikale stalking avant la lettre.
In het tweede deel belandt de kunstenaar op een bal. Walsen, glitter, sociale druk — en daar is ze weer: de idée fixe. Want zelfs in gezelschap en feestgedruis kan hij haar niet vergeten. Berlioz wist dat niets zo romantisch is als totale obsessie.
Dan wordt het donkerder. In het derde deel dwaalt de kunstenaar over het platteland. Rust? Nee. Onheil! De natuur biedt geen troost, maar is alleen een voorbode van rampspoed. Rampspoed die zich aankondigt als een naderend onweer.
En inderdaad: in het vierde deel droomt hij dat hij zijn geliefde heeft vermoord en naar de guillotine wordt geleid. Tromgeroffel, marcherende voetstappen, en bam — een muzikaal hoofd rolt in een mandje. Zelfs hier duikt de idée fixe nog één keer op. Vlak voor de klap van de guillotine denkt hij nog één keer aan zijn geliefde.
Maar Berlioz had nog niet alles uit zijn opiumtrip gehaald.
In het vijfde en laatste deel leidt Berlioz de luisteraar naar een heksensabbat. De geliefde verschijnt nu als een groteske karikatuur. De idée fixe verandert van een lieflijke jongedame tot een helleveeg. Kerkklokken luiden, skeletten dansen, en het Dies Irae kondigt een muzikale Dag des Oordeels aan. Dit is geen romantiek meer — dit is psychedelische horror. Als Berlioz vandaag de dag had geleefd, had hij waarschijnlijk een death metal album gemaakt met een waarschuwing op de hoes voor tere zieltjes.
Het 19e-eeuwse publiek wist niet wat het meemaakte. Sommige luisteraars waren geschokt, anderen extatisch. Berlioz zelf? Die was vooral opgelucht dat hij iets had gecomponeerd dat net zo intens was als wat er in zijn hoofd rondspookte. Later trouwde hij ook daadwerkelijk met de vrouw die hem tot deze muzikale waanzin inspireerde, de Ierse actrice Harriet Smithson. Spoiler: het huwelijk was ongeveer zo stabiel als de symfonie suggereert.
Berlioz bleef zijn leven lang een man van extremen: enorme orkesten, heftige emoties, en een verbeelding die altijd nét iets te ver ging. Zijn opiumgebruik was geen gezellig bijgerecht, maar een katalysator die liet zien dat muziek niet netjes hoeft te zijn: het mag dromen, ontsporen, griezelen en compleet uit de bocht vliegen. En zo bewees Hector Berlioz één ding definitief: soms heb je geen brave symfonie nodig — soms heb je een geniale, licht gestoorde, met opium doordrenkte nachtmerrie nodig om de muziekgeschiedenis op te schudden.