Francis Poulenc | Gloria

Francis Poulenc was het soort componist dat tegelijk een glas champagne én een rozenkrans kon vasthouden — en daar dan ook nog passende muziek bij maakte. Hij leefde permanent in een charmante identiteitscrisis: half Parijse nachtbraker, half vrome katholiek; half ondeugende grappenmaker, half bloedserieus componist.

Poulenc groeide op in een welgesteld milieu en hoefde zich nooit druk te maken over brood op de plank. Dat gaf ruimte. Veel ruimte. Ruimte voor kunst, voor feesten en voor het bruisende Parijse uitgaansleven van de jaren twintig. Als lid van Les Six hing hij rond in cafés, salons en achterafzaaltjes waar de wijn rijkelijk vloeide, de sigaretten nooit doofden en “inspiratie” soms uit een klein wit hoopje poeder kwam waarvan men de naam destijds liever niet hardop noemde. Voor de buitenwereld was Poulenc vooral een man van alcohol en het nachtleven; maar iedereen wist dat drugsgebruik in die kringen net zo normaal was als een vals gezongen chanson.

Poulenc was geen tragische junk uit een romantische mythe. Hij was eerder een vrolijke overdrijver: te veel lachen, te veel drinken, te laat naar bed en de volgende ochtend alsnog componeren alsof er niets gebeurd was. Zijn muziek klinkt ook zo: speels, brutaal, plotseling ontroerend — alsof ze je eerst een knipoog geeft en je daarna onverwacht bij de keel grijpt.

En toen gebeurde er iets dat niemand — hijzelf in de eerste plaats — nog verwachtte: hij werd oprecht gelovig. Niet minder feestelijk, niet minder scherp, maar wel met een diepere laag. Het resultaat? Religieuze muziek die klinkt alsof de engelen eerst het glas hebben geheven. Alsof iemand dacht: “wat als we heilige koormuziek schrijven met het temperament van een café om drie uur ’s nachts?”

Dat hoor je als luisteraar perfect in zijn Gloria.

Het Gloria is traditioneel een jubelende lofzang. Poulenc nam dat letterlijk,  maar zoals altijd op zijn eigen manier. Het werk begint niet plechtig en zwaar, maar ‘brutaal vrolijk’, bijna onbeschaamd. Alsof het koor roept: “GLORIA!” en daarna zelf even schrikt van hoe hard dat eruit kwam. Sommige luisteraars dachten destijds zelfs dat Poulenc niet helemaal serieus kon zijn. Te speels. Te dansend. Te weinig wierook.

Maar dát was juist de kern. Poulenc geloofde niet in een God van alleen fluisteren en knielen. Zijn God kon tegen een grapje. Tegen contrast. Tegen een melodie die ineens van jubel naar verstilling schakelt, alsof iemand midden in een feestje plots denkt: ‘oh ja — dankbaarheid’.

In het Gloria hoor je zijn hele leven terug. De uitbundigheid van de nacht, de scherpte van iemand die te weinig geslapen heeft, en dan ineens die momenten van pure kwetsbaarheid. Het beroemde Domine Deus zweeft bijna, fragiel en intiem — alsof Poulenc na alle champagne en chaos even alleen is met zijn gedachten. En misschien met een lichte hoofdpijn.

Bij het lichtvoetige Laudamus te had Poulenc twee beelden in zijn hoofd: twee voetballende monniken in hun bruine pij en Maria die haar tong uitsteekt.

Deze muziek is duidelijk niet geschreven door iemand die het leven altijd netjes en sober benaderde. Dit is muziek van iemand die het leven vol leefde — soms te vol — en die wist dat extase en devotie verrassend dicht bij elkaar liggen.

Francis Poulenc stierf uiteindelijk niet in een wolk van schandalen, maar liet een oeuvre achter dat precies zo tegenstrijdig is als hijzelf: licht en zwaar, heilig en ondeugend, serieus en schaamteloos. Zijn Gloria bewijst dat je best luid mag juichen, zelfs in de kerk — en dat een componist best mag zondigen, zolang hij maar boete doet in fraaie noten.